Schrijfoefeningen voor thuis

Vrijdag 20 maart, ging het Schrijfcafé in Enkhuizen niet door vanwege de heersende corona-epidemie en de sluiting van de horeca..

Hieronder heb ik een paar schrijfoefeningen voor thuis uitgewerkt.

Alle schrijfoefeningen kun je , als je wilt, meerdere keren doen de komende tijd.

Speel ermee en varieer. Veel plezier.

Carla van den Hombergh

 

 

Het thema is: ANDERS.

 

 

  1. Opstarten

Vul de volgende twee open zinnen aan met 3 regels tekst in “sprint”.

– Toen ik wakker werd ….

– Aan het ontbijt ….

 

In “sprint” schrijven:

Hou je pen op papier en schrijf iets sneller dan je gewend bent.

Als het stokt, herhaal dan het laatste woord een paar keer, tot je weer verder kunt.

Schrijf het aantal regels vol dat je vooraf bepaald hebt, niet meer en niet minder.

Nummer je regels vooraf, dan hoef je ze niet tussendoor te tellen.

 

 

  1. Anders doen.

Wat heb je de afgelopen 24 uur anders gedaan dan normaal?

(voordat de maatregelen om coronaverspreiding tegen te gaan van kracht waren)?

Schrijf hierover 10 regels tekst in “sprint”.

Lees je tekst en zet er een titel boven.

 

 

  1. Anders kijken.

Kijk rond in de ruimte waar je zit. Zie je een schilderij of foto?

– Beschrijf wat je ziet (denk ook aan details) en schrijf over het verhaal achter het schilderij / de foto.

Schrijf 20 regels in  “sprint”.

– Schrijf daarna 8 regels in “sprint”over wat je NIET ziet.

Lees je twee teksten hardop aan jezelf voor en kies één woord dat eruit springt.

Schrijf over dat ene woord nog 8 regels.

Sluit af met een 11-je.

 

Een 11-je is een mini-gedichtje van 11 woorden.

Op regel 1 komt 1 woord

Op regel 2 komen 2 woorden

Op regel 3 komen 3 woorden

Op regel 4 komen 4 woorden

En op regel 5 komt 1 woord

Je bent helemaal vrij hoe je het invult.

Je kunt woorden herhalen of een hele zin maken die doorloopt

of een aantal korte zinnen gebruiken.

 

 

  1. Andere plek

Kies een plek in je huis waar je normaal nooit schrijft en ga daar zitten.

(Ik zat b.v. op de zolderkamer waar we een lekkage hadden)

– Beschrijf de plek waar je zit. Wat neem je waar: wat zie je, hoor je, ruik je, voel je? Hoe zit je?

Schrijf hier 20 regels over in “sprint”.

– Eindig met 3 regels over hoe het voelt om hier te schrijven.

Lees al je teksten over deze plek en eindig met een 11-je